Beleidsverklaring personen met een handicap

Personen met een handicap zijn nog steeds één van de meest kwetsbare groepen in onze samenleving. Ze ondervinden een hoog risico op armoede en uitsluiting en hun participatie op de arbeidsmarkt is significant lager dan personen die geen handicap hebben.
Mensen met een handicap hebben echter het recht om volwaardig deel uit te kunnen uitmaken van onze samenleving en zich maximaal te kunnen ontplooien. Het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap dat België ratificeerde in 2013 en het recht op volledige inclusie voor iedere persoon met een handicap zoals vervat in artikel 22ter van de Grondwet, vormen de leidraad voor het Belgische handicapbeleid.
Het handicapbeleid is in se transversaal en de weg naar volledige inclusie nog lang. Er zijn te veel belemmeringen in de maatschappij die ervoor zorgen dat personen met een handicap niet volwaardig kunnen deelnemen aan de maatschappij.
Daarom is het cruciaal om doorheen het ganse federale beleid rekening te houden met de vaak specifieke noden van personen met een handicap, zodat er geen nieuwe obstakels worden opgeworpen die hun inclusie in de samenleving hinderen, en om geïdentificeerde obstakels progressief weg te werken. Ik zal hier dan de volgende jaren ook op inzetten.
Mijn beleid zal zich bijgevolg concentreren op 4 assen:
- de tewerkstelling van personen met een handicap bevorderen
- hun sociale bescherming optimaliseren
- voorzien in een sterke en efficiënte overheidsdienst (DG Personen met een handicap)
- Inzetten op een uitgebreide federale en interfederale samenwerking rond handicap
Ik licht deze in wat volgt toe.
Een eerste werk-as is de toegang tot werk voor personen met een handicap bevorderen. Personen met een handicap hebben net als iedereen recht op werk. Werk is een belangrijke garantie tegen armoede en bevordert de autonomie van personen met een handicap en inclusie in de samenleving.
In België was in 2022 slechts 44% van personen met een handicap aan de slag, terwijl onze buurlanden werkgelegenheidsgraden boven 60% optekenden. Er is dus duidelijk ruimte voor een hogere participatiegraad van personen met een handicap op de arbeidsmarkt.
Bovendien is het verschil tussen de tewerkstellingsgraad van personen met een handicap en personen zonder handicap erg hoog in België. Met een verschil van meer dan 33 procentpunt heeft ons land een van de hogere tewerkstellingskloven voor personen met een handicap binnen Europa. Iedereen die wil en kan werken, moet effectief de kans krijgen om de stap naar de arbeidsmarkt te zetten. Het is belangrijk om hierbij te kijken naar wat mensen kunnen en in te zetten op hun capaciteiten.
Hierbij blijf ik waakzaam dat de focus ligt op kansen geven aan personen met een handicap en dat we mensen die niet in staat zijn om te werken niet in nog meer kwetsbare situaties duwen.
Op federaal niveau zijn er een aantal belangrijke hefbomen voor de tewerkstelling van personen met een handicap: het stelsel van tegemoetkomingen en de publieke tewerkstellingsmaatregelen.
De huidige wetgeving rond de tegemoetkomingen hindert personen met een handicap die een tegemoetkoming ontvangen om de stap te zetten naar de arbeidsmarkt. De belangrijkste oorzaken hiervoor liggen in de complexiteit van de wetgeving, de beperkte flexibiliteit en de lage voorspelbaarheid van de effecten op het inkomen.
Ik wil tijdens deze periode sterk inzetten op het vereenvoudigen en het voorspelbaar maken van het combineren tegemoetkomingen en inkomen uit arbeid en onderzoeken hoe de tegemoetkomingen voor personen met een handicap kunnen worden herzien zodat deze groep meer mogelijkheden krijgt om inkomen uit arbeid te verwerven.
Voor de hervorming van de IVT is het centrale idee dat, in plaats van de tegemoetkoming abrupt te verliezen zodra een bepaalde inkomensgrens wordt overschreden, deze stapsgewijs afneemt naarmate de beroepsinkomsten of arbeidsparticipatie stijgen. Via een getrapt systeem van aflopende drempels wordt de IVT geleidelijk verminderd naarmate het beroepsinkomen of de arbeidsparticipatie stijgt. Dit model zorgt voor een evenwicht tussen de stimulans om te werken en de bescherming van de rechthebbenden, waarbij wordt gewaarborgd dat elk gewerkt uur financieel voordelig blijft.
Een geleidelijke afbouw van tegemoetkomingen, zorgt voor meer financiële stabiliteit en een betere voorspelbaarheid voor de rechthebbenden.
Voor het uitwerken van deze hervorming zullen lessen worden getrokken uit de evaluatie van de huidige cumulatiemaatregel die sinds januari 2024 in werking is voor IVT-gerechtigden die aan het werk gaan na een periode van twee jaar inactiviteit.
Ook wordt het vrijgesteld bedrag van arbeidsinkomsten herzien bij de berekening van de IVT, om de stap naar de arbeidsmarkt verder te stimuleren.
Verder is het evenzeer belangrijk om bij de berekening van de integratietegemoetkoming de vrijstellingsgrenzen voor vervangingsinkomens te herzien, zodat een periode van tewerkstelling niet zo snel leidt tot een verlies van de IT indien men uitvalt door ziekte of werkloosheid.
In licht van de tewerkstelling voor personen met een handicap, is het ook belangrijk dat de overheid een voorbeeldrol opneemt als inclusieve werkgever. Het streefcijfer voor de tewerkstelling van personen met een handicap bij de federale overheidsdiensten van 3% wordt voorlopig niet gehaald. Bijkomende inspanningen en responsabilisering zijn nodig. Het regeerakkoord voorziet sancties waar het 3% streefcijfer structureel niet wordt gehaald. Samen met de minister van Ambtenarenzaken zal ik een sanctiesysteem invoeren voor overheidsinstanties die de 3%-norm niet toepassen.
Tegelijk zijn maatregelen nodig om personen met een handicap aan te trekken tot het federale openbare ambt. Als minister voor Personen met een handicap, zal ik aandringen op het belang van een inclusieve organisatiecultuur. De federale Commissie voor de Inclusie van Personen met een Handicap is hiervoor een belangrijke partner.
Om deze maatregelen te doen slagen, dient parallel sterk te worden ingezet op begeleiding voor personen met een handicap, zodat ze de stap naar werk kunnen zetten en dat werk ook kunnen behouden. Dit vereist een nauwe samenwerking en afstemming met de deelgebieden, die bevoegd zijn voor doelgroepenbeleid, ondersteuningsmaatregelen, begeleiding en opleidingen.
Ook werkgevers dienen gemotiveerd te worden. Samen met de minister van Werk en de deelgebieden zal ik werk maken van het aansporen van werkgevers om open te staan voor de verscheidenheid aan talenten van personen met een handicap. Essentieel hierbij is de promotie van het recht op redelijke aanpassingen. Ook de sociale partners hebben hierbij een rol te spelen.
Samen met de minister van Sociale Zaken bekijk ik hoe afstemming kan worden gemaakt binnen het Terug-Naar-Werk beleid voor activatie en begeleiding van de doelgroep van IVT-gerechtigden die willen werken.
Voor personen met handicap die niet kunnen werken is het sociale bijstandsstelsel van federale tegemoetkomingen voor personen met een handicap een cruciaal onderdeel van de inkomensbescherming voor personen met een handicap in ons land.
Deze bestaat uit de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, alsook de andere financiële en sociale voordelen die volgen uit een erkenning bij de DG Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid. Het is van groot belang dat de sociale bijstand een hoog genoeg inkomen kan garanderen, zodat rechthebbenden een menswaardig leven kunnen leiden, maar dat een prikkel wordt behouden voor wie kan werken.
In lijn met het voornemen van deze regering om ons systeem van sociale bijstand te hervormen en te vereenvoudigen, zal ik een traject opstarten voor de hervorming van de wet van 1987. Hierbij wil ik gebruik maken van het reeds geleverde studiewerk van de voorbije legislaturen. Uiteraard zal dit in dialoog met het maatschappelijk middenveld van personen met een handicap en de deelgebieden gebeuren.
Ik wil binnen de evaluatie van de handicap ook meer de focus leggen op capaciteiten en talenten ipv gebreken. De huidige evaluatieschalen voor de evaluatie van het verdienvermogen en de zelfredzaamheid van personen met een handicap kennen in dat opzicht tekortkomingen. De regelgeving en rechtspraak bieden te weinig houvast om het verdienvermogen van een persoon met een handicap correct te kunnen evalueren, en ook de medisch-sociale schaal op basis waarvan de zelfredzaamheid wordt geëvalueerd is gedateerd. Beide evaluatieschalen zijn dus aan herziening toe.
Ik zal laten onderzoeken welke nieuwe schalen kunnen worden ingevoerd om correct te kunnen bepalen of iemand al dan niet een handicap heeft en recht heeft op financiële bijstand (IVT/IT) en/of andere voordelen. Ik zal hiervoor verder bouwen op bestaand onderzoek.
De DG Personen met een handicap binnen de FOD Sociale Zekerheid, speelt een sleutelrol in de publieke dienstverlening aan personen met een handicap. De vorige regering heeft reeds sterk ingezet op een meer verbetering van de dienstverlening aan de burgers en meer specifiek een kwaliteitsvolle dienstverlening aan de burger door de DG Personen met een handicap.
Ik zal erop toezien dat mijn administratie, de Directie-generaal Personen met een handicap binnen de FOD Sociale Zekerheid, verdergaat met het versterken van een kwalitatieve, klantgerichte en efficiënte werking. Een inclusieve en rake communicatie en digitale inclusie moeten ervoor zorgen dat de rechthebbenden hun rechten kennen en opnemen.
Toegankelijke regionale evaluatiecentra en een zo efficiënt mogelijke behandeling van de aanvragen, waar mogelijk en nodig met een multidisciplinaire aanpak, zijn kernelementen die nodig zijn om de rechten van personen met een handicap te behartigen en te verzekeren.
In overleg met mijn collega, de minister belast met Ambtenarenzaken, en het Gebouwenbeheer van de Staat, zal ik verder werken aan de integrale toegankelijkheid van de centra voor de erkenning van handicap, volgens de principes van het Universeel Ontwerp of Universal Design.
Een deel van de doelgroep van de DG Personen met een handicap heeft bijzondere nood aan persoonlijk en fysiek contact met de administratie. Zo is de digitale kloof bij personen met een handicap substantieel groter dan bij de rest van de bevolking. Ik zal dan ook telefonische bereikbaarheid blijven garanderen, naast de verdere ontwikkeling van de digitale platformen.
Daarnaast zal ik ook de strijd tegen de non-take up verder zetten. Mensen die het echt nodig hebben moeten steun kunnen krijgen. Personen met een handicap moeten hun bestaande rechten bij de DG Personen met een handicap daarvoor ook effectief kunnen doen gelden.
Het NTU-beleid zal er naar streven dat personen met een handicap beter geïnformeerd worden over de rechten die ze bij de DG HAN kunnen verkrijgen zodat personen die rechten hebben deze kunnen laten gelden, maar ook om onterechte verwachtingen en de daaruit volgende afgewezen aanvragen voorkomen kunnen worden.
Steeds meer personen met een handicap vinden de weg naar de DG Personen met een handicap. Dit zet de ambitie van de DG Personen met een handicap om de behandelingstermijnen te verkorten onder druk. Het is van belang om de administratieve processen vanuit de DG Personen met een handicap verder te optimaliseren en efficiënter te maken. Ik zal laten onderzoeken hoe automatische gegevensuitwisselingen de administratieve last, zowel voor de burger als voor mijn administratie kunnen verlichten. Hierbij is het ‘only once’ principe een belangrijke leidraad. Ook zal onderzocht worden hoe onterechte of afgewezen aanvragen voorkomen kunnen worden door een betere communicatie aan de burger.
Naast het erkennen van personen met een handicap geeft mijn dienst ook twee belangrijke kaarten uit die inclusie en participatie van personen met een handicap bevorderen.
Met de European Disability Card (EDC) kan je als kaarthouder aantonen dat je een erkende handicap hebt bij dienstverleners die een voordeel of korting geven aan personen met een handicap. Ook als de handicap onzichtbaar is of de erkenning in een ander land gebeurde.
In 2024 werd een Europese Richtlijn aangenomen die de EDC in de hele EU zal uitrollen. In samenspraak met de deelgebieden en de bevoegde Ministers, zal ik toezien op de tijdige omzetting van deze Richtlijn en een verdere uitrol van de EDC-kaart, en de betrokkenheid van de vertegenwoordigende organisaties van personen met een handicap bij dit proces.
De tweede kaart, is de parkeerkaart voor personen met een handicap die de rechthebbenden de mogelijkheid geeft om zich te parkeren op de voor personen met een handicap voorbehouden plaatsen. Het is zo een belangrijk instrument voor het garanderen van de bewegingsvrijheid van personen met beperkte mobiliteit. Daarbij is de parkeerkaart doorheen de jaren steeds meer een gegeerd goed geworden. Ik zal onderzoeken hoe misbruik op een gepaste manier voorkomen kan worden, in overleg met de vertegenwoordigende organisaties van personen met een handicap.
Ik zal daarnaast de Europese richtlijn tot invoering van de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap als opportuniteit gebruiken om de toekenning, het gebruik en de controle van de parkeerkaarten te evalueren en te verbeteren in samenspraak met de gewesten.
Een laatste as waar ik op wil werken is verder bouwen aan een inclusieve samenleving. Dit opdat de drempels die personen met een handicap, in hun dagelijks leven ervaren, progressief worden weggewerkt. We moeten er op toezien dat bij nieuwe initiatieven, ongeacht het bevoegdheidsdomein, rekening houden met de specifieke noden en situatie van personen met een handicap. Anders riskeren we dat onbedoeld nieuwe drempels worden gecreëerd die personen met een handicap uitsluiten en de doelstelling van de maatregelen ondergraven.
Personen met een handicap zijn zelf het best geplaatst om hun eigen noden en uitdagingen in het leven te duiden. De gedachte ‘niets over ons, zonder ons’ zal dan ook centraal staan in mijn beleid.
Hiervoor is het essentieel om de vertegenwoordigende organisaties van personen met een handicap te betrekken bij het federale beleid. De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap (NHRPH) speelt hier als federale adviesraad een sleutelrol. Ik zal in overleg met de NHRPH bekijken hoe hun werking en impact kan worden versterkt zodat de stem van personen met een handicap steeds wordt gehoord.
In samenspraak met mijn collegaministers in de federale regering en de deelgebieden, zal ik erop toezien dat de specifieke noden van personen met een handicap worden meegenomen in de grote hervormingen die deze regering wil doorvoeren. Het is cruciaal om de inachtneming, naleving en bevordering van de rechten van personen met een handicap in alle federale beleidslijnen te waarborgen, aan de hand van een ‘handistreaming’- en ‘universal design’-benadering.
Een ideaal samenwerkingsinstrument hiervoor is het federaal actieplan handicap, dat voor het eerst opgesteld werd tijdens de vorige legislatuur en waarvan de verplichte opstelling nu wettelijk verankerd is.
Ik zal dan ook het initiatief nemen om een nieuw federaal actieplan handicap 2025-2029 op te stellen. Samen met mijn collegaministers zal ik de belangrijkste aandachtspunten voor personen met een handicap op basis van het regeerakkoord identificeren. Elke federale minister zal binnen zijn of haar beleidsdomeinen maatregelen nemen om drempels voor personen met een handicap weg te werken. Zo zorgen we binnen de regering voor afstemming op het vlak van handicapbeleid op een effectieve en efficiënte manier. Na goedkeuring door de Ministerraad zal het plan, alsook een tussentijds rapport en eindverslag worden voorgelegd aan de Kamer.
Het maatschappelijk middenveld van personen met een handicap en Unia, als onafhankelijk mechanisme voor het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, zullen worden betrokken bij de opmaak en evaluatie van het actieplan.
De bevoegdheden voor personen met een handicap zijn verdeeld over de verschillende bestuursniveaus.
Zoals vooropgesteld in het regeerakkoord, zal ik een sterke interfederale samenwerking nastreven, met respect voor elkaars bevoegdheden, om het beleid op het vlak van personen met een handicap beter op elkaar af te stemmen. De afspiegelingsregeringen op federaal en deelgebiedenniveau bieden een uitgelezen kans om tot betere afstemming te komen en zo de inclusie van personen met een handicap te bevorderen.
Ik zal hiervoor een actieve rol opnemen binnen de Interministeriële Conferentie Handicap en bij mijn collega-ministers van de deelgebieden een ambitieus werkprogramma bepleiten.
Ik zal oa de discussie met de deelgebieden opstarten om te zorgen voor een harmonisering van administratieve definities van handicap en wederzijdse erkenning. Op die manier garanderen we een gelijke behandeling voor alle personen met een handicap, ongeacht in welke levensfase of regio zij zich bevinden.
De Interfederale Strategie Handicap 2022-2030 kadert het werk van de IMC Handicap binnen het VN Verdrag voor personen met een handicap en legt de link tussen de actieplannen en regeerakkoorden van de verschillende bevoegdheidsniveaus. Ik zal een actualisering van dit document bepleiten in samenspraak met de verschillende vertegenwoordigende organisaties van personen met een handicap binnen de deelgebieden.
In bijlage vindt u de volledige beleidsverklaring terug: